Elk begrip op de CFO-pagina's: wat het betekent, de formule, de bron in Business Central en waarop het gebaseerd is. Items met steunen op een aanname die nog niet door finance/de bank bevestigd is.
Alles wat de groep verdient uit de gewone bedrijfsactiviteit: omzet, geproduceerde vaste activa en overige bedrijfsopbrengsten.
Het operationele resultaat vóór afschrijvingen: wat de exploitatie zelf oplevert, los van hoe machines en gebouwen afgeschreven worden.
Het operationele resultaat ná afschrijvingen.
Wat er onderaan de streep overblijft na financiële kosten, uitzonderlijke posten en belastingen.
De eenmalige verkoop van de gebouwen door GPR (sale-and-leaseback, maart 2026).
Transacties tussen onze eigen groepsvennootschappen.
Bruto = de elf firma's opgeteld, met het interne verkeer er nog in.
Controle op de IC-eliminatie: wat de ene firma intern factureert, moet de andere als kost boeken.
Kan de groep haar korte schulden betalen met wat er op korte termijn beschikbaar is? Boven 1 = de vlottende activa dekken de korte schulden.
Zelfde vraag als de current ratio, maar strenger: zonder de voorraad, want die moet eerst verkocht worden.
Welk deel van alles wat de groep bezit met eigen geld gefinancierd is in plaats van met schuld.
Twee cashcijfers die elkaar lijken tegen te spreken maar allebei kloppen: 'Liquide middelen (klasse 55)' telt alleen de échte bankrekeningen; de bankenkaart telt óók de factor- en kredietrekeningen mee — en daar staat het opgenomen factorvoorschot als negatief saldo op.
Het aantal dagen tussen geld uitgeven aan een opdracht en geld ervoor ontvangen.
Hoeveel dagen omzet er bij klanten open staat — hoe lang ons geld gemiddeld bij hen zit voor het binnenkomt.
Alternatieve DSO die robuust is bij schommelende omzet: vanaf het openstaande saldo maanden terugtellen tegen de werkelijke maandomzetten tot het saldo 'op' is.
Het werkelijke betaalgedrag, factuur per factuur: hoeveel dagen zat er tussen factuurdatum en betaling, gewogen op bedrag.
Hoeveel dagen wij er zelf over doen om leveranciers te betalen.
Van al het geld dat we deze maand hádden kunnen innen, welk deel hebben we effectief geïnd? 100% = alles binnengehaald wat inbaar was.
De DSO die we zouden hebben als élke klant exact op de vervaldag betaalde.
Het aantal dagen dat klanten gemiddeld TE LAAT zijn — het deel van de DSO dat je met bellen en aanmanen kan wegwerken.
Open facturen gebucket op dagen sinds FACTUURDATUM: <30 / 30–45 / 45–60 / 60–90 / 90–180 / 180+.
Het bedrag dat gemiddeld extra uitstaat doordat een klant later betaalt dan de norm van 30 dagen — werkkapitaal dat die klant bij ons 'leent'.
Waarom recente maanden géén datapunt hebben: facturen van maand M worden tot diep in M+1 geboekt, dus de laatste 2–3 maanden zijn onvolledig en zouden een absurd hoge DSO tonen.
Een klant heet factoring-klant wanneer minstens 40% van zijn betaald volume via een factor-dagboek is afgewikkeld.
Bij factoring schiet de bank ~85% van de factuur voor zodra ze is ingediend; de resterende 15% (retentie) volgt als de eindklant betaalt.
Bij factoring mét recourse kan de bank het voorschot terugvragen als de eindklant niet betaalt.
Wat factoring ons kost, in twee delen: de commissie (dienstverlening) en de rente/disconto (voor het voorschieten van het geld).
Bij factoring-klanten meet 'dagen tot betaling' de dag waarop de FACTOR afrekende, niet wanneer de eindklant betaalde.
Hoeveel cash er EENMALIG vrijkomt als iedereen op 30 dagen betaalde.
Het realistische beltarget is de vrijmaking in posten tot 180 dagen.
Een ánder cijfer dan de cash-vrijmaking, en dat hoort zo: dit is het bruto-balanseffect als de DSO structureel naar 30 dagen gaat.
Het terugkerende voordeel van sneller innen: de rente die je niet meer betaalt op het werkkapitaal dat vrijkomt.
De rentevoet waarmee we de kost van vastgezet kapitaal en de rentewinst rekenen.
De afwikkeling van de BESTAANDE posten over 13 weken: elke open klant- en leveranciersfactuur op haar vervaldatum, plus loonlast, afgerold vanaf het huidige kassaldo.
Dezelfde 13 weken, maar realistischer: elke open factuur ingepland op het historische betaalgedrag van díe klant in plaats van op de vervaldatum.
Per aangifteperiode: de btw die we verschuldigd zijn op verkopen min de btw die we mogen aftrekken op aankopen.
Wat we gemiddeld per maand aan de Staat voorschieten: btw op een verkoopfactuur moet afgedragen worden zodra ze aangegeven is, ook al heeft de klant nog niet betaald.
De groep vormt een btw-eenheid: één geconsolideerde btw-aangifte, het saldo wordt op eenheidsniveau afgerekend.
Vaste conventie: alles uit de resultatenrekening (omzet, kosten, marges) is EXCL.
Een standcijfer (open posten, saldi, balans, aging) is een momentopname van één dag en beweegt niet mee met de periodekiezer.
Vooruit-gedateerde boekingen (in het grootboek stonden posten tot 01/12/2026) tellen niet mee — anders zou de year-to-date vervalst zijn.
BC-queries gebruiken nooit de $top-parameter: die kapt het TOTALE resultaat af, niet per pagina.
De ingebouwde controle die bewijst dat we geen posten dubbel of te weinig tellen: de som van de open posten moet exact aansluiten op de grootboek-controlerekeningen.
Cijfers die op een aanname steunen zijn overal als zodanig gelabeld.
Canonieke bron: METHODIEK-FORMULES.md (volledige formules, aannameregister A1–A8 en de externe review van 05/08/2026).